Les 1 van 7
Reglementen op de ruime wateren: SRW en BPR
Voor het KVB2-examen moet je weten welk reglement waar geldt en hoe je op de Westerschelde en de ruime binnenwateren uitwijkt. Ook de lichten, dagmerken en geluidsseinen van het SRW horen erbij.
Welk reglement geldt waar?
Op elk water geldt één set vaarregels. Kijk dus altijd eerst waar je bent.
Op het examen krijg je 8 vragen over wettelijke bepalingen, samen goed voor 13 punten.
| Water | Reglement |
|---|---|
| Westerschelde | Scheepvaartreglement Westerschelde (SRW) |
| Eemsmonding | BVA, aangevuld met het Scheepvaartreglement Eemsmonding (SRE) |
| Kanaal van Gent naar Terneuzen | Eigen reglement (SRKGT) |
| Waddenzee, IJsselmeer, Markermeer, IJmeer, Oosterschelde | Binnenvaartpolitiereglement (BPR) |
| Noordzee | BVA, de internationale zeevaartregels |
Belangrijke begrippen in het SRW
- Klein schip: korter dan 20 meter. Een sleepboot, een duwboot en een schip dat vist zijn nooit klein.
- Varende: niet ten anker, niet gemeerd en niet aan de grond.
- Ben je korter dan 12 meter, dan moet je motor in de hoofdvaargeul minstens 6 km/u door het water halen.
Uitwijken op de Westerschelde
Een klein schip wijkt in het SRW uit voor alle schepen die niet klein zijn. Wie een vaargeul oversteekt, binnenvaart of verlaat, wijkt voor het schip dat de geul volgt.
Let op: een groot zeilschip wijkt in het SRW uit voor een werktuiglijk voortbewogen schip. Dat is anders dan je misschien verwacht.
Tussen kleine schepen geldt eerst de stuurboordregel. Houdt een klein schip de stuurboordzijde van de geul, dan wijkt het andere. Anders wijkt het motorschip voor zeil en spierkracht, en spierkracht voor zeil.
- Oplopen: de oploper wijkt altijd.
- Recht tegen elkaar in: allebei naar stuurboord.
- Kruisen tussen motorschepen: wie de ander aan stuurboord heeft, wijkt.
- Smalle bocht of engte met stroom: wie tegen de stroom in vaart, houdt gaande.
- Smalle bocht over stil water: wie de buitenbocht aan stuurboord heeft, vaart door.
Lichten en dagmerken
| Wat zie je? | Betekenis |
|---|---|
| Drie rode lichten boven elkaar, overdag een cilinder | Bovenmaats zeeschip |
| Twee rode lichten, overdag twee bollen | Onmanoeuvreerbaar schip |
| Rood, wit, rood, overdag bol, ruit, bol | Beperkt manoeuvreerbaar schip |
| Groen boven wit | Schip bezig met visserij |
| Wit boven rood | Loodsvaartuig in dienst |
| Kegel met de punt naar beneden | Zeilen met de motor bij |
Kleine schepen
Een klein zeilschip mag een driekleurenlantaarn in de masttop voeren. Onder de 7 meter mag één wit rondom licht.
Een klein motorschip onder de 7 meter dat niet harder kan dan 13 km/u (ongeveer 7 knopen), mag één wit rondom licht voeren. Voor anker voer je één wit rondom licht. Op een zeiljacht hangt de radarreflector minstens 4 meter boven het water.
BPR op de ruime wateren
Op de Waddenzee, het IJsselmeer en de Oosterschelde telt vooral wie de stuurboordzijde van het vaarwater volgt. Wie een hoofdvaarwater met laterale markering binnenvaart, verleent voorrang aan wie daar de stuurboordzijde volgt.
Volgt niemand de stuurboordzijde, dan wijkt klein voor groot. Bij twee grote motorschepen, of een groot motorschip en een groot zeilschip, wijkt wie van bakboord nadert.
Veelgemaakte fouten
- Denken dat zeil op de Westerschelde altijd voor motor gaat.
- Vergeten dat een schip voor anker niet varende is.
- De stuurboordregel overslaan en meteen naar zeil of motor kijken.
- Denken dat het BPR ook op de Westerschelde of in de Eemsmonding geldt.
Bronnen: cbr.nl, wetten.overheid.nl, wetten.overheid.nl. Gecontroleerd op 13 oktober 2026.
Gratis oefenen
Test wat je net hebt geleerd
Een paar vragen over dit onderwerp, met uitleg. Geen account nodig.
Klaar om echt te oefenen?
Met de complete cursus krijg je alle vragen, 8 oefenrondes en proefexamens met de echte regels.